top of page

MILDDADIGHEID - WELDADIGHEID

MILDDADIGHEID - WELDADIGHEID


Daarover schreef mijn grootvader, de Haagse rabbijn I. van Gelder, Opperrabbijn van het gewest Zeeland in een artikel voor de Jubileumuitgave van de Haagse vereniging Hulp in Nood:


Het gebeurde eens, zo wordt in de rabbijnse litteratuur verhaald, dat iemand die op milde wijze de weldadigheid beoefende, schipbreuk leed. Rabbi Akiwa, die het schip waarin zich bedoelde persoon bevond, had zien wegzinken, zou een getuigenis omtrent de dood afleggen, waardoor het de vrouw vrij zou staan een nieuw huwelijk te sluiten. Maar zie, even voordat hij aan dit voornemen uitvoering zou geven, stond de doodgewaande man plotseling voor hem!


Men kan zich de verbazing van Rabbi Akiwa voorstellen. Op diens desbetreffende vraag antwoordde de man: ‘Reeds dreigde ik in de onstuimige zee weg te zinken, toen een golf mij opnam en overgaf aan een andere, het geruis der golven deed geluiden opklinken: ‘Komt,’ zo spraken zij tot elkaar, ‘laten wij deze man, die steeds op voortreffelijke wijze met zijn weldadigheid menig noodlijdende heeft gered, opnemen en aan de dreigende dood ontrukken.’

Zo, aldus luidt het verhaal, was het de Tsedoko, de Weldadigheid, die het leven van deze man heeft gered.


En verder in het artikel:


…want de mens moet wel radicaal zijn gedegenereerd, indien het milde gevoel van medelijden en ontferming geheel is verstikt. De bekendheid met dit, niet te onderschatten psychologisch verschijnsel mag wel de ondergrond zijn van de volgende Midrasjbeschrijving omtrent de voorgeschiedenis van de schepping van de mens:


Toen de Schepper het plan opvatte de kroon op het Scheppingswerk te plaatsen, door de vorming van de mens, kwamen Engelengroepen in actie. Sommigen ontriedden het ten sterkste: ‘Want de mens zal zijn een wezen, geneigd tot leugen en bedrog, tot twist en krakeel.’ Anderen daarentegen riedden het aan: ‘Want de mens zal zijn een wezen, dat gedreven wordt door de drang tot het beoefenen van weldadigheid, tot het verrichten van liefdediensten.’

Dit laatste gaf de doorslag en de mens werd geschapen.


De Midrasj stelt hier dus vast, dat het in de aard van de mens ligt, tsedoko te doen, liefdadigheid, zodat het zich stelselmatig onttrekken daaraan een uitzondering is. De litteratuur in Bijbel en Talmoed, in ethische werken van de latere eeuwen heeft dit denkbeeld steeds wakker gehouden en gepropageerd.


G.d’s medewerker, ja, vredestichter tussen G.d en de mens. Rabbi Jehoeda ben Sjimon zegt: ’Zie G.d spreekt: Die arme daar klaagt in zijn vertwijfeling: ‘Waarom is het, dat ginds rijke man in weelde woont en ik rondzwerf; hij op een heerlijke sponde rust en mijn afgemat lichaam op de aarde moet liggen; maar gij, o goede mens, spreekt G.d dan verder, gij redt die vertwijfelde uit de nood, daardoor herstelt gij de vrede van de ongelukkige met Mij.’


Opperrabbijn Izak van Gelder was mijn grootvader; naar hem ben ik genoemd.

Comments


bottom of page