top of page

LEVENSBLIJHEID

LEVENSBLIJHEID


Soekot mag, zoals hierboven beschreven, een feest van vastberadenheid zijn, het is tevens een feest van levensblijheid.

Maar wat voor soort levensblijheid? Daarover schrijft het Joodsch Weekblad DE VRIJDAGAVOND op 11 tisjri 5691/3 oktober 1930. Het artikel heb ik, anno 5770/2010, enigszins aangepast.



Na de diepe ernst van het Nieuwjaarsfeest en de berouwvolle boete van de Verzoendag volgt nu de opgewekte levensblijheid van het Loofhuttenfeest.

Want nadrukkelijk en herhaaldelijk vermaant ons de Tora: ‘Gij zult u op uw feest verheugen’ en ‘dat gij ook waarlijk verheugd zult zijn.’

Maar op grond van heel andere veronderstellingen dan men verwachten zou, moet de vreugde worden opgewekt en tot uiting gebracht.

Niet in het goed beveiligde huis zullen wij uitdrukking aan onze vreugde geven.

Maar ‘Ga uit uw vaste woning en vertoef in een tijdelijke hut,’ zo wordt ons opgedragen.


De soeka-loofhut biedt slechts weinig beschutting tegen de weersgesteldheid: door haar dunne wanden dringt de koude, en haar loofdak biedt met open dak wind en regen weinig weerstand. Maar dat mag op de vreugde geen invloed uitoefenen.

Zo zien wij dat het bij onze feestviering niet alleen gaat om een zevental dagen vrolijk te doorleven, maar dat ons hier een belangrijke aanwijzing voor het leven gegeven wordt: hoe wij het leven hebben op te vatten en hoe wij ons daarin verheugen kunnen.


Onze geleerden zagen in de loofhut een beeld van het leven. Gelijk de zwakke hut is het leven.

Reeds de vroege kinderleeftijd wordt bedreigd door velerlei gevaren en de grootste zorgen van moederlijke opoffering worden geëist om het zwakke levenstakje voor de stormen te behoeden en het tot een krachtige boom te doen opgroeien. Daarnaast bestaan nog vele andere gevaren die ons bestaan bedreigen en het donker en moeilijk maken. Zo is het leven met de licht gebouwde hut te vergelijken, waar het Soekotfeest ons in verplicht te verblijven.


En toch luidt de opdracht van ons feest: ‘Gij zult waarlijk verheugd zijn!’

Het leven van de aangename zijde trachten te beschouwen. Het Jodendom verbiedt de donkere, kniezerige levensopvatting, die de aarde als een jammerdal beschouwt, ofschoon het voor de zwakheden en problemen van het bestaan niet de ogen sluit. Al in het begin van de Tora lezen wij: ‘G.d zag alles wat Hij gemaakt had, en zie! Het was zeer goed!’

Deze gedachte gaat door de gehele joodse levensbeschouwing. Ons Jodendom bestrijdt de sombere levensbeschouwing die zich in onze tijd met bijzonder behagen openbaart en die tenslotte tot vertwijfeling moet leiden. Want al biedt ook het leven, gelijk de loofhut, vaak meer schaduw dan zonneschijn, door haar dak zien wij de hemel lichten, waar een goede Vader woont.


Verheug u op uw feest! Zoek opgewekte levensvreugde! Dit misgunt ons de Tora niet. Verheug u met het goede dat G.d u geschonken heeft! Maar behoud vooral de geschiktheid u ook in een hut te kunnen verheugen.

En willen wij onze kinderen een echte weldaad bewijzen, laten wij hen dan reeds in hun jeugd eraan wennen, bescheiden te zijn; ook als wij in staat zijn hen van het leven met volle teugen te laten genieten. Wie staat er borg voor, dat zij zich steeds in dezelfde omstandigheden zullen bevinden? Wie weet vooruit, dat zij nooit met de noden en zorgen van het leven te kampen zullen hebben?

Zo leert de soeka ons een belangrijke les voor het leven.

De soeka wil ons leren het leven (ondanks zijn schaduwzijden) van de lichtzijde te beschouwen door de blik naar boven te richten.

Comments


bottom of page