top of page

De Evolutie van de Eiffeltoren #9 - Even napraten


Mijnheer Einstein, mag ik nog even met u spreken? Nu u toch hier bent?’


Ik bied hem in de leraarskamer een stoel aan. En laat hem het boek ‘IN EINSTEINS ACHTERTUIN’ zien.


Hij bladert het boek snel door. Het zijn allemaal bekenden die hij tegenkomt: Paul Davies, John Wheeler, Stephen Hawking, Roger Penrose, Steven Weinberg, Lee Smolin, Alan Guth, Alex Vilenkin. Allen wereldberoemde wetenschappers. ‘Hebt u al hun publicaties bestudeerd?’ vraagt Einstein mij. ‘Of in ieder geval doorgelezen?’


‘Nou, nee.’


Maar ik vertel mijn hooggeleerde gesprekspartner – Ho, ho! Hoe durf ik mij een gesprekspartner van de beroemde Albert Einstein te noemen! – dat ik tieners probeer uit te leggen dat de Evolutietheorie minder waarschijnlijk is dan in de biologieboeken meestal wordt beweerd. En ik vertel dat ik in verband daarmee jaren geleden een vraag stelde aan de wiskundige Rosenblum…


‘Paul?’ valt Einstein mij in de rede. ‘Paul Rosenblum? Een collega van mij. Bijzondere man. Knap en heel bescheiden. Waren alle wetenschappers maar zo! Paul is later, nog steeds verbonden aan de Columbia University, volgeling geworden van een beroemde rabbijn in Brooklyn.’


Ik vertel Einstein dat ik professor Rosenblum in Brunoy bij Parijs ontmoette. Hij was in opdracht van de Verenigde Naties naar Europa gekomen in het kader van herziening van het wiskundeonderwijs.


Ik had hem de volgende vraag gesteld: ‘Evolutionisten beweren dat als je een aap maar lang genoeg achter een schrijfmachine zet, ten slotte alle werken van Dickens eruit zullen rollen. En dat het ook zo met de evolutionaire ontwikkeling van het leven in de loop van miljarden jaren is gegaan. Wat kan ik daarop antwoorden?’


Rosenblum had mij het volgende antwoord gegeven: ‘OK. Ga bij die aap staan. Kijk naar wat hij tikt. Aan de ene kant leg je de bladen met tekst van Dickens neer. En aan de andere kant de vellen papier waar niets zinnigs op staat. Mijn vraag is nu: Hoe hoog wordt het ene stapeltje en hoe hoog het andere? Hetzelfde geldt voor het leven op aarde. De geslaagde dieren en planten nemen wij waar; maar waar vinden wij de resten van die ontelbaar meerdere mislukkingen die er in de evolutionaire ontstaansgeschiedenis van het leven moeten zijn geweest?!’


‘Een raak antwoord,’ reageert Einstein. ‘Geniaal in zijn eenvoud. Ík ben van mening dat wetenschap alleen tot stand kan komen bij mensen die ten diepste vervuld zijn van het verlangen naar waarheid en inzicht. Waarbij de gevoelsbron ontspringt in het domein van de religie.’


Ik laat Einstein een nieuwsberichtje zien, gedateerd 25 februari 2015:


Een brief van Albert Einstein, waarin hij verwijst naar G.d als Schepper, is op een veiling verkocht voor 75.000 dollar. De brief is gericht aan de Italiaanse elektrotechnisch ingenieur Giovanni Giorgi, waarin Einstein zijn relativiteitstheorie verdedigt. In de brief schrijft hij: ‘G.d schiep de wereld met meer intelligentie en elegantie.’


‘Klopt,’ zegt Einstein. ‘Zo dacht ik erover en zo denk ik erover.’


En dan komt de beroemde man plotseling met een verzoek: ‘Hebt u misschien een viool voor mij?’


Ik had dat verzoek kunnen verwachten. Ik had immers gelezen dat wanneer Einstein in zijn eigen gedachten dreigde te verdwalen, hij viool ging spelen. Waarbij hij dan verklaarde: ‘Ik ga uit G.ds gedachten tappen.’


Nee, een viool heb ik niet voor deze bijzondere man. En dan, heel schuchter, vraag ik: ‘Zoudt u zo goed willen zijn mijn artikel ‘Cabbala’ in mijn boek ‘Vorst ontdooit’ te willen beoordelen?’


Na lezing knikt Einstein instemmend. ‘Mijn complimenten!’


Dan staat hij op. Kijkt mij aan. Indringend. En zegt met grote nadruk: ‘Zo heb ik het begrepen en zo begrijp ik het: E=mc-kwadraat. En G.d is de n plus 1e dimensie!‘


Dan, plotseling, is Einstein verdwenen. Zo mysterieus als hij was gekomen… Diep in gedachten ga ik terug naar de klas. En vertel de leerlingen over mijn gesprek met Einstein. En vooral over het gesprek van Einstein met mij. ‘Duidelijk, 5VWO’ers, geloven in G.d is echt niet onwetenschappelijk. Bewijs: de G.d van Albert Einstein. De n plus 1e dimensie.‘


Gauw print ik mijn artikel ‘Cabbala en geef het aan de 5VWO’ers te lezen.


’Jullie reactie graag. In het kader van ‘hoeveel procent waarschijnlijk en hoeveel procent onwaarschijnlijk’.’


Ik ben benieuwd.

Kommentare


bottom of page